Joop A.E. Smits
Nijmegen : Radboud Universiteit, 2019. - 258 p.
Met lit. opg.
Verslag van onderzoek met als doel het vaststellen of hoogbegaafde kinderen profijt hebben van een speciale voorziening voor hoogbegaafde leerlingen, het Voltijd Hoogbegaafdenonderwijs (VT-HB). In het onderzoek is gekeken naar de cognitieve en affectieve onderwijsresultaten van schoolverlaters in het VT-HB-onderwijs. Hoogbegaafde leerlingen van VT-HB-scholen blijken gemiddeld beter te scoren op twee cognitieve indicatoren in absolute zin voor de drie vakken rekenen/wiskunde, spelling en begrijpend lezen dan leerlingen van zusterscholen, reguliere scholen die onder hetzelfde regiem vallen als VT-HB-scholen. Een kanttekening die hierbij wordt gegeven is dat het feitelijk niveau bij aanvang al significant beter was bij alle vakken. Er wordt geconcludeerd dat de gunstige cognitieve onderwijsresultaten nauwelijks verklaard worden door kwaliteitskenmerken van het VT-HB-onderwijs (alleen bij spelling). Maar Smits stelt dat dat de voorsprong bij aanvang met een gecomprimeerd leerstofaanbod en in een sterk gereduceerde onderwijstijd significant toeneemt bij de vakken spelling en begrijpend lezen. VT-HB-scholen realiseren ondanks het comprimeren van de leerstof in een relatief korte tijd toch veel extra leerwinst voor de vakken spelling en begrijpend lezen en zorgen ervoor dat de achterstand bij onderpresteerders vanuit het basisonderwijs wordt omgezet in een voorsprong. Een kritische bevinding bij de leerresultaten is echter dat een kwart van de hoogbegaafde leerlingen geen profijt heeft van het VT-HB-onderwijs. Daarnaast zijn worden de interpersoonlijke competenties gunstig beïnvloed door het VT-HB-onderwijs; is de reikwijdte van het leerstofaanbod en de afwisseling in werkvormen beter; en blijkt de kwaliteit van het didactisch handelen en van de school als organisatie op veel aspecten significant beter te zijn dan deze aspecten in het basisonderwijs op de ‘zusterscholen’. Smits concludeert dat er voldoende redenen zijn om het bestaansrecht van het VT-HB-onderwijs te rechtvaardigen. Verder blijkt dat de kwaliteit van de schoolleiding vooral van invloed is op de kwaliteit van de school als organisatie en op het handelen van leraren, maar niet rechtstreeks op de onderwijsresultaten; dat het welbevinden van leraren en leerlingen niet samenhangt met de leerresultaten; dat sociale veiligheid en structuur van belang zijn voor de persoonsontwikkeling; dat het 'Big Fish-Little-Pond-Effect’ niet wordt bevestigd; en dat een zeer hoog IQ nauwelijks toegevoegde waarde heeft voor onderwijssucces. Er worden ten slotte aanbevelingen op leerling- en schoolniveau gedaan voor het VT-HB-onderwijs.
Open 'Speciaal onderwijs' voor slimme leerlingen

Geen opmerkingen:
Een reactie posten